Home | HPV-vaccinatie ter preventie baarmoederhalskanker

HPV-vaccinatie ter preventie baarmoederhalskanker

Baarmoederhalskanker wordt per jaar bij ongeveer 700 vrouwen gediagnosticeerd. Ter preventie en vroege opsporing is selectieve HPV (16 en 18)-vaccinatie van jonge meisjes opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma en in het Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Dit bevolkingsonderzoek is in 2017 veranderd. Vrouwen krijgen een uitnodiging en de mogelijkheid tot zelfafname wanneer zij 30, 35, 40, 45, 50, 55 of 60 zijn. Het uitstrijkje wordt dan eerst onderzocht op de aanwezigheid van het humaan papillomavirus (HPV). Pas als dit virus aanwezig is, wordt hetzelfde uitstrijkje direct beoordeeld op afwijkende cellen. Indien deze aanwezig zijn wordt de patiënt doorverwezen naar de gynaecoloog voor kolposcopisch onderzoek.

Bij de HPV-types die baarmoederhalskanker kunnen veroorzaken, maakt men een onderscheid tussen hoog risico en laag risico types. Twaalf types worden als hoog risico types (=kankerverwekkend) bestempeld (HPV 16, 18, 31, 33, 35, 39, 45, 51, 52, 56, 58, 59) en zes types als waarschijnlijk kankerverwekkend (HPV 26, 53, 66, 68, 73 en 82). Samen zijn al deze types verantwoordelijk voor meer dan 90% van de cervixcarcinomen. HPV 16 en HPV 18 worden teruggevonden in meer dan 70% van de cervixcarcinomen. HPV 16 wordt ook in verband gebracht met carcinomen van de vagina, vulva, anus, penis en sommige mond- en keelcarcinomen. Deze carcinomen zijn echter veel zeldzamer.

De gevoeligheid van de baarmoederhals voor HPV-infecties wordt verklaard door de specifieke overgang tussen de plaveiselcellen in het slijmvlies op de buitenzijde van de baarmoedermond en de cylindercellen in het slijmvlies aan de binnenzijde van de baarmoeder(mond). Zo’n hormoongevoelige overgang ontbreekt in mond/keel, anus en urethra.

Bij kolposcopisch onderzoek en biopten kan de uitslag geen, geringe (CIN I), matige (CIN II) of ernstige dysplasie (CIN III) zijn. De meeste CIN I afwijkingen verdwijnen spontaan. Bij CIN I evolueert naar schatting 1% naar invasieve kanker, bij 60% vermindert of verdwijnt de CIN I lesie spontaan, 30% blijft stabiel en 10% kent een verloop naar CIN III. Bij CIN II evolueert 5% naar invasieve kanker, 40% vermindert, 40% blijft stabiel en 20% evolueert naar CIN III. Bij CIN III evolueert 12 tot 22% naar invasieve kanker, bij ongeveer 33% verdwijnen de letsels, de overige 50% blijft stabiel. CIN III wordt altijd behandeld met een poliklinische lisexcisie.

Persisterende HPV afwijkingen komen vaker voor dan verwacht. Uit recent onderzoek uit het Jeroen Bosch Ziekenhuis bleek dat de HPV-infectie bij 8% van de 12.000 gescreende vrouwen tussen de 30 en 63 jaar aanwezig was.

U kunt patiënten naar de gynaecologen van het Medisch Centrum Jan van Goyen doorverwijzen, zodat zij op korte termijn gezien kunnen worden. Bij vragen kunt u contact opnemen via de mail: gynaecologie@jvg.nl.

KEURMERK